De basis
van de bedouienen-gemeenschap is de structuur van de clan-organisatie. Elke tent
(of huis) staat voor een familie, elke groep van families in hetzelfde camp vormt
een clan. Een aantal verwante clans vormen weer een stam. De leden van een clan
voelen zich ook echt één familie (al hoeven ze dat lang niet altijd
door bloedverwantschap te zijn) en voelen ze zich superieur over andere clans.
De tent en wat huishoudelijke spullen zijn het enige privébezit, zaken
als grond en water zijn gemeenschappelijk bezit van de clan. Men wordt geacht
onvoorwaardelijk loyaal te zijn aan leden van dezelfde clan. Een clan wordt
vertegenwoordigd door een Sheikh, die door de stam wordt gekozen. De sheikh komt
uit een goede gerespecteerde familie, en mocht hij komen te overlijden, dan kan
iemand uit dezelfde familie hem opvolgen. Hij heeft geen absolute autoriteit,
en hij wordt bij ingewikkelde zaken geacht zijn stam-raad te raadplegen. Een Sheikh
wordt gerespecteerd, maar elk lid van een clan zal een Sheikh op gelijk niveau
benaderen. Doordat bedouienen hieraan gewend zijn, hebben ze vaak grote moeite
met autoriteit en gezag wat van buiten de stam wordt opgedrongen door bv de Egyptische
overheid. Een bedouien is een democraat in hart en nieren, open-minded en altijd
geïnteresseerd in wat er in zijn omgeving gebeurt. Op het persoonlijke vlak
heerst er achterdocht en is men erg voorzichtig met informatie over hun eigen
achtergrond. In geval van een misdaad gelden de wetten van
de stam. Als er bijvoorbeeld een moord gepleegd wordt op een lid van dezelfde
clan, dan zal niemand de dader verdedigen, en is de kans groot dat hij het met
zijn eigen leven zal moeten bekopen. Als hij zou ontsnappen kan hij nooit meer
terugkeren naar zijn clan, en wordt hij vogelvrij verklaard. Een bedouien is verloren
zonder de bescherming van zijn clan. Door een moord buiten de eigen clan kan een
echte bloed-vete ontstaan. Hierbij kunnen ook andere leden van de clan hun leven
niet meer zeker zijn, en een dergelijke vendetta kan jaren duren. Elke misdaad,
hoe klein ook, wordt door de families van de clan besproken voordat het naar de
stam-raad gaat. Daar vindt dan weer een uitgebreide analyse plaats, die dagen
tot maanden kan duren, voordat een laatste oordeel gegeven wordt. Vrouwen
hebben een bijzondere positie binnen de bedouienen-rechtspraak. Een man kan meerdere
vrouwen huwen, maar een vrouw heeft wel degelijk keuze. Ook scheiding is vrij
normaal, en heeft geen grote negatieve gevolgen voor de vrouwen. Als er een misdaad
tegen een vrouw wordt begaan, dan ligt de strafmaat 2 tot 4 keer hoger dan wanneer
dezelfde misdaad tegen een man was begaan. De bedouienen
in de Sinaï kunnen worden onderverdeeld in 11-13 stammen (afhankelijk van
hoe je een clan en een stam definiëert). De grenzen van hun leefgebieden
zijn geografisch niet duidelijk vastgelegd, maar uit traditie weten de verschillende
stammen exact waar de grenzen lopen. De stammen die al het
langste in de Sinaï leven zijn de Aleiqat en de Sawalha. Hun gebied loopt
van Suez tot El Tur, aan de westkant van de Sinaï. De Muzeina stam bezet
sinds 500 jaar een groot gebied in het zuiden, en aan de oostkust begint net boven
Nuweiba het gebied van de Tarabin. Zij zijn van Palestijnse origine, en zijn hier
sinds ongeveer 300 jaar aanwezig. In het berggebied rond het Katharina klooster
leeft een kleine stam met een vreemde origine: de Gebeliya (letterlijk: bergbewoners).
Zij komen oorspronkelijk uit Europa, met name uit Joegoslavië, en kwamen
naar de Sinaï om te dienen in het klooster. Ze bekeerden zich tot de Islam,
en namen nomadische gewoontes aan. Bij deze stam, met nog ongeveer 1500 leden,
kun je zelfs nog mensen met blond haar en blauwe ogen tegen komen. Door de andere
stammen in de Sinaï worden zij echter als zwaar minderwaardig beschouwd,
omdat ze geen echte bedouienen-oorsprong hebben. De overige stammen zul je
niet snel ontmoeten, omdat hun leefgebieden niet voor toeristen toegankelijk zijn,
of omdat de afstand te groot is om met een safari naar toe te gaan. Egypte
heeft de Sinaï bestuurskundig in 2 gebieden gesplitst: het North Sinai Governorate
(met hoofdstad El Arish) en het South Sinai Governorate (met hoofdstad El Tur).
De grens loop ongeveer oost-west, ter hoogte van Taba, door een onherbergzaam
gebied. De opkomst van het toerisme heeft dramatische gevolgen
gehad voor de bedouienen. Er zijn grote conflicten ontstaan tussen de bedouienen
enerzijds, en de Egyptsche overheid en grote investeerders anderzijds. De overheid
heeft in de jaren 80 de kuststrook van Sharm el Sheikh tot Taba aangeduid als
groot ontwikkelingsproject. De "Egyptische Riviera" moest grote buitenlandse
investeerders gaan aantrekken, en er werd alles voor gedaan om het deze investeerders
zo makkelijk mogelijk te maken. De eerste plannen hiervoor werden, als een van
de resultaten van het Camp David akkoord, zelfs gesponsord door het United States
Agency for International Aid. In die eerste ontwikkelingsfase van het kustgebied
kwamen de bedouienen nauwelijks aan bod als arbeidskrachten, omdat de lonen extreem
laag waren. Er werden arbeiders uit Sudan en delen van het Egyptische vasteland
gehaald, die voor dat lage loon bereid waren zeer zwaar werk te verrichten. De
bedouienen van de Sinaï kregen een speciale status onder de Egyptische wetgeving.
Ze mochten in bepaalde toeristengebieden werken als gids, taxichauffeur, kameelbestuurder
of verkoper. Ook begonnen ze op hun land in de kuststrook camp-sites te ontwikkelen,
met name voor low-budget toeristen. Vanaf het midden van
de jaren 80 ging het helemaal mis voor de bedouienen. Zij die stukken land aan
de kuststrook in bezit hadden, moesten toekijken hoe de Egyptische overheid hun
land verkocht aan buitenlandse investeerders, met name grote hotelketens. In de
zomer van 1999 is de laatste onteigenings-aktie geweest: het leger heeft toen
een groot aantal camp-sites, gerund door bedouienen, ten noorden van Nuweiba platgewalst.
Dit alles in opdracht van het Egyptische Tourist Development Agency. Het land,
dat al eeuwen eigendom was van de bedouienen, werd eenvoudigweg met een paar woorden
afgenomen: ze zouden niet kunnen aantonen dat ze vóór 1982, het
einde van de Israelische bezetting, al in dat gebied woonden. Uiteraard was dat
wel degelijk zo, maar een op dat moment grotendeels ongeletterd volk, dat semi-nomadisch
leefde, had tegenover de overheid geen enkele kans. Sinds
de aanslag in Taba, in 2004, is de houding van de overheid tegenover de bedouienen
veranderd. Daar waar ze voor die tijd voornamelijk met rust gelaten werden, werden
er nu, uit veiligheidsoverwegingen, bijvoorbeeld politieposten in de Sinaï
opgericht. Er ontstond een besef bij de overheid dat ze dit stuk land en zijn
bevolking toch op één of andere manier onder controle moesten zien
te krijgen. De manier echter waarop ze dit deden, gecombineerd met gebrek aan
begrip en respect, heeft er toe geleid dat bedouienen zich nu nog minder "Egyptenaar"
voelen dan al het geval was. De bedouienen zijn al eeuwen gewend aan het feit
dat de Sheikh degene is aan wie ze verantwoording af leggen. Iemand die ze respecteren,
en die ze op gelijke voet tegemoet treden. Conflicten werden binnen de stam opgelost,
en dat is eeuwen lang goed gegaan. Nu de overheid probeert hierop grip te krijgen,
zonder rekening te houden met deze eeuwenoude tradities, leidt dit tot grote conflicten.
De bedouienen accepteren deze inmenging in hun cultuur niet, er is geen wederzijds
respect, en vriendschappen tussen Egyptenaren en bedouienen zijn zeer zeldzaam.
Daarnaast zijn er nog grote groepen bedouienen die in het binnenland leven, en
nauwelijks in aanraking komen met de veranderingen in de kuststrook. Zij staan
nergens geregistreerd, en hebben geen flauw idee wat zich afspeelt in de kustgebieden,
laat staan in de rest van Egypte. Een echte integratie van de bedouienen in de
Sinaï met de rest van Egypte, wat de overheid nastreeft, lijkt met de huidige
aanpak weinig kans te hebben. |