Het woord "bedouien" komt van het Arabische woord "bedu" wat simpelweg "inwoner van de woestijn" betekent. Voor veel mensen heeft het woord een romantische bijklank, van zandduinen, wapperende kleding, tradities, gedichten en muziek. Eeuwenlang was dit beeld niet ver van de waarheid, maar de afgelopen decennia zijn er door de opkomst van het toerisme veel veranderingen gekomen. Er leven nu rond de 80.000 bedouienen in de Sinaï, maar exacte aantallen zijn niet bekend. Hun aantal daalt, en ze spreken een eigen Arabisch dialect.

Dahab Bedouinen

Dahab Bedouinen

Dahab Bedouinen

Dahab Bedouinen

De beouienen die nu in de Sinaï leven zijn afstammelingen van mensen die tussen de 14e en 18e eeuw vanaf het Arabisch schiereiland naar dit gebied zijn getrokken. Ze wonen er dus nog maar relatief kort. Volgens Arabische traditie zijn alle bedouienen afstammeling van 2 stammen: de Yemenis uit de bergen van zuidwest Arabië, of de Qaysis uit noord en centraal Arabië. Zelfs nu nog kunnen bedouienen met trots vertellen van welke van deze stammen zij afstammen. In alle landen waar bedouienen leven, vormen zij de armste bevolkingsgroep, maar ze zijn enorm trots op hun manier van leven, en vinden het de meest pure Arabisch-Islamitische levenswijze.

Tot voor heel kort bestond hun leven uit het trekken door de woestijn, op zoek naar plekken waar het vee kon grazen. De producten die het vee opleverde, melk, vlees, wol, werden verkocht op lokale markten in de oases. Eigendom van land bestond niet, want elke stam stelde de grond en waterbronnen voor de hele stam beschikbaar. De stammen in de zuidelijke Sinaï behoren tot de allerarmsten. Er zijn nu nog stammen die nauwelijks tot geen contact met de buitenwereld hebben. Door hun eeuwenlange isolatie en armoede zijn ze echte experts geworden van het gebied waarin ze leven. Ze kunnen bv aan de hand van rotsformaties ondergrondse waterbronnen vinden en weten precies welke planten eetbaar of geneeskrachtig zijn.

Er zijn nog maar erg weinig bedouienen die nu nog leven zoals hun voorvaderen, al bestaat de stammenstructuur nog steeds. De ouderen zijn nog wel analfabeet, maar de jongeren kunnen vrijwel allemaal lezen en schrijven. De meesten wonen in een betonnen huis, trekken niet meer de woestijn door, en hebben een auto als vervoermiddel. Kamelen hebben ze nog wel, maar die worden voornamelijk gebruikt voor toeristen. Het gidsen van toeristen is overigens iets wat ze al eeuwen doen: al tijdens de opkomst van de Islam boden ze hun diensten aan pelgrims aan die door de woestijn trokken, op weg naar heilige plaatsen. Van oudsher hebben bedouienen nooit aan landbouw gedaan. Dit vonden ze beneden hun waardigheid, en het paste uiteraard ook niet in hun nomadische levensstijl. Nu de meesten een min of meer vaste woonplaats hebben, zijn ze ook begonnen met het telen van groenten, en fruit (voornamelijk dadelpalmen).

De vrouwen zorgen nu voornamelijk voor het huishouden en voor de kinderen. Toen ze nog door de woestijn trokken waren er veel meer taken voor de vrouwen. Ze waren bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het afbreken en opzetten van de tent, en voor het zoeken van brandhout. Dit gaf hen de gelegenheid met anderen in contact te komen en een eigen sociaal leven te hebben. Tegenwoordig zitten de meeste vrouwen en oudere meisjes voornamelijk thuis. De mannen hebben nu vaak baantjes in de kustplaatsen, in het toerisme, of werken als gids in de woestijn. Regelmatig worden er relaties aangegaan met Westerse vrouwen, wat binnen de stam meestal niet welkom is.

Ondanks de grote veranderingen in hun levensstijl de afgelopen jaren, verlangen de meeste bedouienen terug naar het leven in de woestijn. De mannen die in de kustplaatsen werken trekken zich regelmatig een paar dagen terug, om tot rust te komen. "To clean the head" zoals ze zelf zeggen. Het leven is misschien makkelijker geworden, of in elk geval sneller, maar de veranderingen zijn zo snel gegaan dat de impact nog niet helemaal duidelijk kan zijn. Land wat altijd in bezit van bedouienen is geweest, is door de overheid afgenomen en aan buitenlandse investeerders in de toeristenindustrie toegewezen. Het wordt steeds moeilijker voor bedouienen om aan werk te komen, omdat arbeidskrachten uit Egypte de voorkeur krijgen. Op veel plaatsen mogen ze niet meer vissen, en zo zijn er nog veel meer voorbeelden. De laatste tijd zijn er gelukkig steeds vaker geluiden te horen dat de bedouienen en hun cultuur niet mogen ontbreken in de ontwikkelingsplannen van de Sinaï. In de ogen van de overheid was dit lange tijd een bevolkingsgroep waar geen rekening mee hoefde te worden gehouden. Men lijkt nu tot inkeer gekomen, en met name in de National Parks worden steeds vaker projecten opgezet waarbij bedouienen betrokken zijn.

Dahab Bedouinen

Dahab Bedouinen

Gastvrijheid (diyafa)

Gastvrijheid staat hoog in het vaandel bij de Bedouienen en is een hoofdregel van het leven in de woestijn. Meteen bij aankomst in een Bedouienen kamp wordt een kleed gespreid voor de gasten en zoete thee geserveerd in kleine glaasjes. Elke gast, zelfs een lid van een vijandige stam, kan rekenen op 3 dagen onderkomen, verzorging en bescherming. Na de drie dagen kan de gast ongestoord en in vrede weer vertrekken. Complexe en strikte regels, waar alle Bedouienen zich aan houden, maken deze gastvrijheid tot iets wat ongeëvenaard is.
Voor eervolle gasten wordt vaak een uitgebreide vleesmaaltijd bereidt, ook al gaat dit ten koste van de eigen kudde en ondanks dat de Bedouienen zelf misschien al maanden geen vlees meer hebben gegeten.

Het hoofdbestanddeel van de gastvrijheid is echter wel het maken en serveren van koffie. Het maken van de koffie drukt de gastheer’s bezorgdheid en interesse uit voor zijn gasten. De bonen worden eerst geroosterd en daarna gemalen. Samengevoegd met kardemom worden ze met water in de koffiepot gedaan. Dit mengsel wordt drie keer gekookt waarna het nog een paar minuten kan trekken. De Bedouienen hebben het maken van koffie werkelijk tot een kunstvorm verheven. De gebruiksvoorwerpen voor het maken van thee zijn in de afgelopen jaren wel veranderd. De eerst koperen theepotten zijn vervangen door geëmailleerde potten, maar voor de koffie niet. De oorspronkelijke manier van maken en de gebruiksvoorwerpen zijn hetzelfde gebleven. Als de Bedouienen je koffie aanbieden, geniet dan van de eeuwenoude traditie en het respect wat hier getoond wordt.

Veel westerlingen hebben echter misbruik gemaakt van deze gastvrijheid. Sommigen hebben het uitgebuit zonder iets terug te doen, anderen hebben voor een eenvoudige kop koffie zoveel geld betaald dat dit als een belediging gezien werd. Tegenwoordig zul je dan ook vaak merken dat er vaste afspraken zijn tussen bedouienen en gidsen van woestijnsfarai's. Er wordt een redelijke vergoeding betaald voor de koffie of thee, en als je iets extra's wilt doen, neem dan iets leuks voor de kinderen mee of koop een zelfgemaakt armbandje van ze.

Van oudsher is de komst van een gast vaak ook reden voor allerlei festiviteiten. Een nieuw gezicht, nieuwe verhalen, dit was meer uitzondering dan regel in de woestijn. Er wordt dan muziek gemaakt, gezongen, gedichten worden voorgedragen en soms wordt er zelfs gedanst. De vrouwen zijn meestal degenen die zingen. Ze zitten dan in rijen tegenover elkaar, en gaan tijdens het zingen een soort dialoog met elkaar aan. De mannen bespelen de instrumenten. Traditionele muziekinstrumenten van de bedouienen zijn de "shabbaba" , een metalen pijp waar een soort fluit van gemaakt is, en de "rababa", een soort viool met maar één snaar.