De dieren
zijn gemiddeld vrij klein: je zult er veel meer knaagdier-achtigen, hagedissoorten
en vogels vinden dan bijvoorbeeld gazelles. Kleine dieren hebben relatief minder
lichaamsoppervlakte waardoor er minder vochtverlies plaatsvindt. Vocht krijgen
ze vooral binnen via hun voedsel, drinkwater is zelden voor handen. Sommige dieren,
zoals hagedissensoorten, verzamelen vet in hun staarten in plaats van water. Als
er geen voedsel (met daarin vocht) voorhanden is, leven ze van deze vetvoorraad.
De huid of vacht van woestijndieren is overwegend lichtgekleurd om de zonnestralen
te reflecteren. Doordat er weinig mogelijkheden in de woestijn zijn om te schuilen
voor vijanden, zijn de meeste diersoorten ook uitstekende springers, renners en
zijn ze vrijwel allemaal in staat om zich in te graven. Om aan de grootste hitte
te ontsnappen blijven veel dieren overdag in hun holen, en komen ze pas tevoorschijn
als het iets koeler wordt. Er zijn zelfs dieren die in de heetste maanden van
het jaar een "zomerslaap" houden, en maandenlang in hun holen blijven. Vroeger
kwamen er veel gazelles en zelfs luipaarden voor in de Sinaï, maar door de
steeds groter wordende bemoeienis van de mens worden gezelles nog maar zelfden
gezien, en wordt het luipaard in de Sinaï als uitgestorven beschouwd. Er
zijn recente meldingen van hyena's in de buurt van Nabq, maar hier is verder nog
weinig over bekend. De meest voorkomende diersoorten op dit
moment zijn allerlei knaagdieren, slangen, schorpioenen, gekko's en hagedissen,
vogels, insecten, woestijnvossen, sprinkhanen, vlinders en in de buurt van bedouienendorpjes
natuurlijk kamelen, geiten en schapen. Woestijnvos:
In de Sinaï komen veel woestijnvossen voor. Ze leven
met name dicht bij bewoonde gebieden, waar ze op zoek gaan naar voedsel en water.
Als je in de open lucht slaapt moet je er altijd voor zorgen dat je etensresten
en voedsel goed verpakt, of een eind weg van je kamp weggooit: de vosjes zullen
er zeker op af komen. De grootste kans om ze van dichtbij te zien is in het gebied
van Ras Mohammed in het zuiden, maar ze komen in de hele regio voor. Ze zijn uitstekend
aangepast aan het klimaat. Het beste zie je dit aan de enorm grote oren: als de
lichaamstemperatuur te hoog wordt gaan de bloedvaten in de oren uitzetten en verdwijnt
de warmte door de oren. Ook komen hun grote oren goed van pas tijdens de jacht:
omdat ze 's nachts aktief zijn kunnen ze hun prooi goed horen. Overdag slapen
ze in holen. Deze holen hebben verschillende kamers die met plantenresten zijn
bekleed. Een hele vossenfamilie kan in deze kamers leven. Kameel:
Het grootste woestijndier, en ook het dier dat je het meeste
zult tegenkomen. In het Nederlands zou de correcte naam "dromedaris"
zijn, maar je zult merken dat iedereen ze "camel" of "gamal"
noemt. Dromedarissen komen oorspronkelijk uit het middenoosten, en werden daar
"gamal" genoemd. Dit woord is op een gegeven moment geintroduceerd in
het Grieks, terwijl er al een Grieks woord voor bestond: "dromas". Beide
woorden worden sindsdien voor hetzelfde dier gebruikt. De kamelen staan volledig
in dienst van de bedouienen: ze worden gebruikt als transportmiddel, lastdier,
en ook hun vacht wordt gebruikt om bijvoorbeeld kleden van te maken. Daarnaast
wordt kamelenmelk gedronken, en hun vlees gegeten. Ze lopen vrijwel altijd los,
in kuddes, maar de eigenaren kunnen ze vaak van afstand al herkennen. De dieren
onderling herkennen elkaar aan de geur, die per individu verschilt. Ze kunnen
van kilometers afstand ruiken wie er in de buurt zijn. Kamelenvrouwtjes krijgen
om het jaar een jong, altijd maar 1 tegelijk, en de draagtijd is 12-15 maanden. Kamelen
zijn bij uitstek geschikt om in dit extreme klimaat te leven. Ze eten gras en
andere planten, zelfs taaie, doornige uitgedroogde planten die door andere dieren
overgeslagen worden. Door hun gespleten bovenlip kunnen ze zelfs doornentakken
eten. Als er veel voedsel voorhanden is eten ze 2-3 kilo per uur, maar altijd
maar een kleine hoeveelheid van dezelfde plant, ze zullen nooit een hele struik
kaal eten. De tanden groeien hun hele leven door. Om ze af te slijten zie je ze
dan ook vaak aan hard materiaal knagen. Kamelen kunnen lange
tijd zonder water. Als ze na een tocht van dagen weer kunnen drinken, drinken
ze grote hoeveelheden tegelijk: meer dan 100 liter in 10 minuten is geen zeldzaamheid.
In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, wordt water niet in de bult opgeslagen
maar in de maag. Hun lichaam is er helemaal op ingesteld om zo zuinig mogelijk
met water om te gaan: de nieren resorberen een groot deel van het vocht, waardoor
de urine zeer geconcentreerd is. Ook de uitwerpselen bevatten nauwelijks vocht.
De lichaamstemperatuur van de kameel kan zo'n 6 tot 8 graden stijgen (tot 41 graden)
voordat het dier oververhit raakt en begint te transpireren. De
kameel gebruikt zijn bult voor de opslag van vet, zodat ze dagen zonder voedsel
of water kunnen leven. Het vet in de bult wordt gebruikt om vocht en energie uit
te halen. Op langere tochten kan het dier tot een derde van zijn lichaamsgewicht
verliezen zonder in levensgevaar te komen. Een bult waarvan de reserves al zijn
aangesproken, zal een stuk lager en slapper zijn dan een goed doorvoedde bult.
Ook beschermt de bult de kameel tegen de hitte door warmte te absorberen. Kamelen
hebben zachte hoeven met een dikke eeltlaag die tegen de hitte van het zand beschermt.
De hoeven spreiden zich zo dat ze niet wegzakken in het woestijnzand. Hierop gebaseerd
zie je vaak bedouienen een beetje lucht uit hun banden laten lopen als ze een
stuk door het zand moeten rijden. De neusgaten en oren zijn
bedekt met lange haren tegen het zand, en het dier kan zijn neusgaten ook sluiten.
De ogen worden beschermd door een dubbele rij lange gekrulde wimpers, en ze hebben
een derde ooglid dat als ruitenwisser dient om zand uit de ogen te verwijderen. |